De 17de sociale verkiezingen komen er aan, tussen 9 en 22 mei 2016. Dit keer zal nog gewerkt worden met verschillende categorieën werknemers: de werklieden of arbeiders, de bedienden – en daar waar er voldoende in aantal zijn –  de kaderleden en de jeugdige werknemersjonger dan 25 jaar oud. Maar sinds door de wet van 26 december 2013 een belangrijke stap werd gezet naar het eenheidsstatuut, is het weinig waarschijnlijk dat het onderscheid arbeiders-bedienden nog lang zal standhouden voor de werknemersvertegenwoordiging in de overlegorganen.

We kunnen ons dus opmaken voor sociale verkiezingen 2020 zonder dit onderscheid. Dit bleek al tijdens het parlementair debat over het wetsontwerp sociale verkiezingen 2016. En als we evolueren naar één enkel kiescollege voor arbeiders en bedienden, stelt zich onmiddellijk de vraag of het nog zin heeft de twee overblijvende categorieën, nl. kaders en jongeren, te behouden. Het zijn natuurlijk minderheidscategorieën: slechts 2,4 % van de kiezers voor de ondernemingsraden in 2012 waren jeugdigen 9,1 % waren kaderleden – die daarom een specifieke vertegenwoordiging hebben gekregen.

Maar anderzijds voegen ze heel wat complexiteit toe aan de sociale verkiezingen. En die complexiteit ligt al irritant hoog, ruim hoger dan deze van de politieke verkiezingen.

Voor kaderleden stelt zich daarbij de moeilijkheid van definiëring, dewelke voor ruime en sterk heterogene interpretatie vatbaar is. In sommige ondernemingen is het zelfs een zuiver theoretische notie die nooit werd gebruikt of gaandeweg buiten gebruik is geraakt.

En wat de jongeren betreft, weegt die groep steeds minder en kent deze de laagste en dalende participatiegraad, met in 2012 slechts 37 % van de potentiele stemmers.

Wellicht zullen grotere ondernemingen met een lange syndicale historiek meestal voorstander blijven van een aparte vertegenwoordiging voor kaderleden . Omdat zo ook personen met sleutelposities met hoge toegevoegde waarde, die geen directiefuncties bekleden, mee aan de debatten in de ondernemingsraad kunnen deelnemen. Zo kan het niveau van deze debatten worden opgekrikt, de polarisatie van belangen worden getemperd en een breder spectrum van thema’s worden aangesneden eerder dan de dagdagelijkse thema’s.

Ook principieel is er nog een motief dat pleit voor het behoud van die aparte kadervertegenwoordiging: het is de enige plaats in ons collectief arbeidsrecht waar een beperkte afwijking wordt toegestaan op het monopolie van de drie traditionele vakbonden wat de representativiteit betreft. Het is de kaderleden immers toegestaan om voor de ondernemingsraad op te komen met; hetzij een huislijst specifiek voor het bedrijf, hetzij een lijst van de NCK, de Nationale Confederatie van het Kaderpersoneel

Zelfs al haalden de niet traditionele NCK en de huiskaderlijsten samen slechts ongeveer 1,5 % van alle stemmen of amper 16,6 % van de stemmen voor de kaderleden  (cijfers 2012) dan nog blijft dit principieel een te belangrijke uitzondering om zomaar te laten vallen en de vertegenwoordiging van de kaderpopulatie integraal aan de klassieke vakbonden over te laten.  Natuurlijk kunnen we even dromen en de categorieën laten verdwijnen door ook de mogelijkheid met huislijsten te werken te openen voor alle categorieën en voor alle personeelsleden. Met andere woorden, door te ontwikkelen naar een model met meer democratie op ondernemingsvlak en geen monopolie meer van de traditionele bonden. Waarom zou dat immers niet kunnen voor de ondernemingsraad, als sleutelorgaan in het sociaal overleg op bedrijfsvlak?